Kleine elegische suite (tweede versie)

1

Hij was de laatste en hij bleef.
Hij heeft mij niet meer verlaten.
Hij is wel goed, het is goed dat hij bleef,
maar ik ben al zo gelaten.
Toen de eerste de beste niet bij mij bleef,
was ik voorgoed verlaten.

2

Leg de muis van je hand
in mijn navelkuil.
Leg de palm van je hand
op mijn tepel.
Leg dan je lippen op mijn mond,
en ik zal in je groeien.

3

De drie gratiën, al wat ouder,
zoet in de schil als een meloen,
rusten aan elkaars rijpe schouder
en daar moeten ze het mee doen.

4

In de filtertips
van haar sigaretten
in de asbak is zij
aanwezig
als onsheer op het altaar.
Die asbak zal ik
niet legen eer zij
weer hier is
bij mij.

5

Als zo ons, liefste,
lijf aan lijf
het leven
bij deze muziek zou begeven,
zouden we saam
dan het hemelrijk ingaan?