Kijkend naar de overkant

1

Voor het veerhuis dat verlaten ligt
zit ik op de bank die er niet meer staat
met een bitter die men hier niet meer tapt
onder de olmen

Ik kijk langs de grindweg naar het veer
en de karren die er niet meer staan
te wachten op de gierpont die niet meer gaat
over de rivier

Daar zie ik ze komen van de overkant
boerenmensjes die er niet meer zijn
uit hun gedoetje dat niet meer bestaat
achter de dijk

Ze komen met het veer dat niet meer vaart
in hun zondagse zwarte goed
nu staan ze om mij heen geschaard
onder de olmen

De naden in wangen en handen zijn zwart
hun vervaarlijke driften zijn uitgewoed
zielsbenauwd hebben ze toch nog geloofd
ze zijn dood en ze leven nog allen