Kijkend naar de overkant

1

Voor het veerhuis dat verlaten ligt
zit ik op de bank die er niet meer staat
met een bitter die men hier niet meer tapt
onder de olmen.

Ik kijk langs de grindweg naar het veer
en de karren die er niet meer staan
te wachten op de gierpont die niet meer gaat
over de rivier.

Daar zie ik ze komen van de overkant,
boerenmensjes die er niet meer zijn,
uit hun gedoetje dat niet meer bestaat
achter de dijk.

Ze komen met het veer dat niet meer vaart
in hun zondagse zwarte goed.
Nu staan ze om mij heen geschaard
onder de olmen.

De naden in wangen en handen zijn zwart
Hun vervaarlijke driften zijn uitgewoed.
Zielsbenauwd hebben ze toch nog geloofd.
Ze zijn dood en ze leven nog allen.

2

Namiddag is ‘t.
Waarom luiden de klokken
in het strijklicht over de kleuren
van de herfst?

Jets zoeven door ‘t blauw
paradijsvogels boven de bomen.
Trimmers schieten weg in de struiken
Adam, waar zijt gij?

Waartoe roept dat luiden
over de kleurende toppen?
Tot ondergang,
of een nog betere wereld
?

3

De laatste trein zal gewoon vertrekken
en morgen de eerste ook.
De dakpan zal vallen op het hoofd van de heerser

en een ander neemt zijn ambt.

De volgende oorlog vindt wel plaats,
en alles wordt gewoon doorgedraaid,
ook al staat mijn verstand erbij stil en mijn hart
slaat alleen een slag over.
Want eens staat alles even stil,
en dan begint alles echt opnieuw.
Mijn verstand zal verstaan
en mijn hart zal slaan als een kwartel.