Winter

Ik droomde dat het morgen zomer was.
Het dekbed sloeg ik weg, de ramen open.
Een dikke druppel dauw, van het kozijn gedropen,
spette op mijn neus. On zonlicht blonk het gras.

Ik stapte buiten en ik rekte mij.
Door ‘t natte gras schoven mijn blote voeten.
Een vink kwam op een tak mij kwinkelend zitten groeten.
Recht naar de zon vloog snorrende een bij.

Ik smeet mijn nachtgoed in een meidoornstruik.
Het grasveld liep ik af met snelle passen.
Naar waar de zon rees boven rimpelende plassen
nam ik een lange sprong, een blinde duik.

Ik gleed door ‘t gladde water ademloos.
Ik keerde mij al glijdend en kwam boven.
Ik hief mijn handen: klaterende droppels stoven,
in de doorzonde lucht een sterrenhoos.

Ik schudde me op de walkant als een hond.
De zwoele wind streelde mijn huid en haren.
Een rode vrucht glom tussen zwatelende blaren.
Die plukte ik en verplette ze in mijn mond.

Ik lag achter de rietkraag in de zon,
mijn hoofd in schaduw, en met ijle galmen
pijpte ik een lied op Pans begoochelende halmen,
een lied van leven dat opnieuw begon.

Zo floot ik, toen de rode avondstond
glom op de toppen van doodstille bomen,
en toen de maan, van ver wandelend aangekomen,
in ‘t midden van de hoge hemel stond.

Een gure wind fluit aan het rammelend glas.
Ik rijs en krab langs de beijsde ruiten.
Wit uitgeslagen ligt de zwarte wereld buiten.

Ik droomde dat het morgen zomer was.