Wiegelied op Christus’ feest

Maria zingt, rijdend door Bethlehem:

O kind, zo koud! O kind, zo bang!
O kind, deze nacht, waarom duurt hij zo lang!
O kind, vind je vader nog ooit ergens brood?
Ontsluit dan toch eindelijk, eind’lijk mijn schoot!

O kind, mijn angst! En ieder doet
de deur toe uit angst dat hij helpen moet.
Zo moe, kind, en nog ligt er niets voor je klaar.
O, pijn! O, een vingerbreed morgenrood maar!

Ach, alles is donker, de wereld is slecht.
Hoe kan er geluk zijn, er is toch geen recht?
O kind van de hemel, geef je niet bloot,
O wordt niet geboren! Je leeft voor de dood.

Maria zingt, liggende in de stal:

O kind, ‘t is licht, en ik ben zo licht!
En daar sluimert Jozefs lieve gezicht.
De os knoerst tevreden, het ezeltje zucht -
Hoor! Buiten van hollende voeten gerucht!

Wat wil je, man met je ruige haar?
Ga weg van mijn kind, en die anderen daar -
O Heer, ze aanbidden hem! Hijgende suist
hun ademtocht over zijn schedelpluis.

Wat brengt u hier? Zond God een stem?
Bracht die u en ons in dit Bethlehem?
U riep ‘t evangelie, ons preste de wet.
Gods Zoon is geboren! Hij helpt, Hij redt!