Ik zal met onafwendbre hand
aanranden wie heeft aangerand.
Maar diep in mij verdoken schreit
een vroegere genegenheid.
Ik zal met een metalen vuist
vergruizelen wat heeft vergruisd.
Maar in mij krimpt een herinnering
om schoonheid die verloren ging.
Zij zullen boeten, hoofd voor hoofd,
wat hier gemoord is en geroofd.
Maar in mijn ogen brandt de pijn
der velen die onschuldig zijn.
Verstommen zal t gehaat gepraal
en de gemene leugentaal.
Maar immer hoor ik hun muziek,
liefelijk en wat melancholiek.
Wij zullen strijden voor ons recht
tot alles is in as gelegd.
Wij zullen winnen in het eind -
als eerst ons hart is weggekwijnd.
Wij zullen vechten, maar de vrede
is onuitsprekelijk zoet.
Wij zullen leven, maar de dood
schijnt een begeerlijk goed.