Herfstig lied

Gestapeld goud en brons, rood koper en de vlammen
die knistren om die schat, spiegelend in de stroom,
wekken een treurig lied, een klaagzang van verlangen
bij d’ uitvaart van een eedle maar verteerde droom.

Zingende wat verging voel ik mijn lust verlammen.
In zijn verleden glorie brandend staat een boom
te sterven. Zo verstuift als dwarrelend blad mijn hangen
aan een geluk dat nimmer rijpte, een dode droom.


Maar dan. als naakt en nat en in grijste verloren
het hout, na het geweld van wind en water, wacht,
rillend en arm, maar ‘t glanst als pas geboren,

zo is het als het bot! En ik, stil in de nacht,
ik waak. Ik weet: ik zal de lentevogels horen.
Omzien maakt week. Geloof! Nieuw licht wekt jonge kracht.


Voor mijn oude rector