Wie sterk was als ik, heb ik gebracht,
wat ik zelf van anderen heb verwacht:
zij hebben gelachen en mij veracht.
Wie zwak was als ik, heb ik na gestaan,
en ik wenschte mijn arm om hun schouder te slaan:
zij zijn voor mij op de vlucht gegaan.
Mij zelven ben ik een vreemdeling:
de sterke en de zwakke in den worsteling
tuimelen rond in vertwijfeling.
GOD, grijp mij in mijn ontreddering!
N.D.D.D.-Almanak 1936, p. 184