Donec gratus eram tibi

Keer niet terug tot haar die u verried
(of had gij reeds haar heimelijk verlaten?).
Zij woont verarmd in een verwoest gebied,
waarom zoekt ge weer heil die penaten?
Uw hunkrend hart gelooft niet in het lied
dat kwijnt in de doorstoten venstergaten.
Er kreunt een kind - het is het uwe niet.
En steeds gerucht van rovers en soldaten.

Waarmee wordt het gehavend huis herbouwd
bij achterdochtig en weemoedig treuren?
Ach, hoe het eenmaal was is u vertrouwd,
maar vale vrees ververft de broze kleuren.
Hebt gij nog lief? Uw hart is moe en oud.
De haard is dof. De wind weent aan de deuren.