Dit mijn vlees

Heer Jezus, dien mijn hart heel diep bemint,
maar dien mijn oog en hand nooit kunnen vinden,
dat Gij uw oog niet aflaat van uw kind
voel ‘k als ik van U zing met uw beminden.

Gij zit in rust in ‘t hemelse paleis
en kijkt naar mij, en spreekt dan met uw Vader.
Gij hoort wel vaak zo’n woord op wankele wijs,
maar Gij ziet ook zijn loochening door de dader.

Gij volgt mij in de straten van mijn stad
en weet hoe wuft mijn oog wijlt allerwegen.
Gij ziet mij in mijn huis en weet hoe mat
mijn hart is, en mijn handen ongenegen.

Bij U is nu geen toorn meer en geen smart,
alleen uw liefde, uw grote mededogen.
Gij legt uw hand op uw doorboorde hart
en kijkt uw Vader pleitend in de ogen.

Maar ik ben een beschaamd, gebroken mens,
mijn handen zijn onvast, mijn ogen schichtig.
Mijn lied is licht dat breekt in troebele lens.
O, werden geest en vlees één en doorzichtig!

Eens worden ogen, hart en handen één,
en ik geheel van U, met ziel en zinnen.
Kom haastig, Heer! Om U, voor U alleen
zal dit mijn vlees dan al wat is beminnen.